Dat gekaan buiten de deur zat er al vroeg in

Het lijkt soms wel alsof we hier een middellands zeeklimaat hebben. Wanneer manlief weer richting Friesland vertrekt maandagochtend 05.45 en het grootste gedeelte van Noord-Brabant nog op een oor ligt, zakt de temperatuur gestaag omlaag. Zo was hij vorige week enthousiast zonder jas, in zijn korte mouwen vertrokken, maar was het daar maar 17 graden overdag terwijl het kwik hier opliep tot rond de 27 graden. Zo is het verdeeld, en kan het zomaar zo zijn dat ik enthousiast aan het vertellen ben over fietsen en lunchen in de buitenlucht, met de billen op een kleed, terwijl jullie daar in het noorden zitten te rillen bij het idee alleen al. 

Wanneer het mooi weer is fiets ik zo’n twintig kilometer op een dag. Met manlief plannen we meestal fietstochten van rond de veertig kilometer, en heb ik hem eindelijk zover gekregen dat hij onderweg wel een meegebrachte lunch wil eten. Maar dan wel iets wat je meteen kan opeten, geen gedoe met bakjes op een kleed, dat vindt hij drie keer niks. 

Dat alleen op pad gaan, doe ik al vanaf ongeveer mijn tiende jaar. Ging ik vaak in mijn eentje de hele dag bij het zwembad liggen met lunch en boekjes. Lag ik er rustig van s’ochtends tien tot laat in de middag. Dit deed ik ook in de zomervakantie heel vaak, er hoefde niemand mee. Dat einzelgangerige heeft er altijd al ingezeten.

Maar ik had wel vriendinnen, waaronder een beste vriendin, waarmee ik dingen ondernam.
Vooral ponyrijden en polsstokspringen waren in mijn jeugd favoriet (tja, boerendochter hè).
Er kwamen dan van die pony’s van ponypark Slagharen. Een aantal van de meiden in het dorp (de meesten woonden op een boerderij) hadden dan twee pony’s per gezin, die kwamen dan overwinteren. Ook wij kregen er twee, een voor mij en een voor mijn vriendinnetje uit die tijd. We hebben dat een aantal winters gedaan, erg leuk. Alleen hadden de paardjes vaak meer trek in het sappige gras dan dat ze zich lieten pakken, en als je er dan uiteindelijk op zat, zetten ze het op een hollen zodra er een graspol in zicht kwam.
(links op de foto is mijn vriendin, rechts ben ik)
Ook daarbij werden er regelmatig boterhammen meegenomen voor onderweg. 
Ik weet nog steeds bij wie de boterhammen met Saksische smeerworst het lekkerste smaakte, heb ik ontdekt dat mosterd op je kaas heel lekker is op brood (we haalden elkaar al vroeg op, en had dan mijn ontbijt al op, maar bij vriendinnetjes at ik dan gewoon weer) Ik was een dankbare gast wanneer ik mee mocht eten, zo was ik gek op de spruitjes met paardenvlees en kruimige aardappeltjes bij mijn beste vriendin die dat vaak winterdag aten op zondag. Mijn herinneringen aan vroeger hangen aan elkaar van eetmomenten, het heerlijke eten thuis (mijn moeder kon fantastisch koken) de boterham s’ochtends bij mijn lievelingstante met hardgekookt ei, mayonaise en selderijzout etcetera etcetera. Voor mij staat eten symbool voor veiligheid, geborgenheid, intimiteit en me gelukkig voelen. Mijn vader sprak vroeger de wijze woorden “eten is een voornaam ding”

Op mijn achtste was ik al in de draaimolen te vinden, in het speeltuintje in ons dorp, met vier boterhammen dik met roomboter en hagelslag. 
Het zat er altijd al in, het gekaan buiten de deur, dat ik niet moddervet geworden ben is een wonder.

Laat een bericht achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

*